Warm welkom

“Het was bitterkoud, die dag in februari 1999, toen ik rillend uit de taxi stapte bij de opvanglocatie in Leiden. Een woonbegeleider begroette me vriendelijk in het Arabisch en begon tegen me te kletsen. ‘Heb je wel genoeg warme kleren bij je? Kijk, in dit tasje zit wat eten. Dit is je kamer. Zal ik de verwarming aanzetten?’ Ik voelde me meteen welkom. Als ik toen had geweten dat El-Houssine en ik nog eens COA-collega’s zouden worden en dat ik hem zelfs soms ‘broer’ zou noemen...”

Saamhorigheid  

“Op die februaridag zette ik als 16-jarige een knop om in mijn hoofd en dacht: ik wil hier in Nederland blijven, dit is mijn thuis. Na jaren van onveiligheid voelde ik me eindelijk veilig. De gemoedelijke en open sfeer op de locatie hielp daarbij. Net als de grote saamhorigheid tussen de bewoners, en de vriendelijke begeleiders. Ik ging naar school en leerde Nederlands. Na schooltijd deed ik mee aan activiteiten, zoals voetballen tegen andere opvanglocaties of discoavonden. Er was nog geen afleiding van Instagram, of Facebook. 

Confronterend

“Natuurlijk is het leven op een azc ook confronterend. Ik was als minderjarige alleen naar Nederland gekomen en deelde mijn kamer met andere minderjarigen. Daar zaten ook voormalig kindsoldaten bij die vaak nachtmerries hadden en ’s nachts huilend en schreeuwend naast hun bed stonden.”

Weinig voldoening  

“En ook de periode erna, terwijl ik buiten het azc mijn weg vond, was niet altijd makkelijk. Toen ik in Nederland arriveerde, was de instroom van asielzoekers hoog. Het duurde lang voordat mijn asielprocedure startte. Toch volgde ik twee technische opleidingen en vond een baan in de techniek. Maar ik haalde daar weinig voldoening uit. Het COA bleef al die jaren mijn veilige haven. Nog steeds kwam ik wekelijks in Leiden, omdat ik als vrijwilliger op het azc jongerenactiviteiten begeleidde. In 2008 kreeg ik een telefoontje van El-Houssine. Ze zochten woonbegeleiders voor een nieuwe locatie in Duinrell, vlakbij Wassenaar. Was dat iets voor mij?”

Kantelpunt

“Na mijn eerste werkdag voelde het alsof ik na lang zoeken eindelijk had gevonden wat ik wilde. Ik wist zeker dat ik altijd met mensen wilde blijven werken. Dat het COA toen die deur voor mij opende, voelt als een kantelpunt in mijn leven. Door dat dagelijkse een-op-een contact met bewoners ga ik altijd vrolijk naar mijn werk. Als ik de voordeur van mijn huis in Leiden achter me dichttrek, weet ik dat ik ook die dag weer bewoners kan helpen met al hun vragen over het leven in en buiten een azc.”  

Dromen waarmaken  

“Als ik me voorstel aan nieuwe bewoners, zeg ik altijd: ‘Ik ben Saladin. Ik heb hetzelfde pad bewandeld als jullie. Ook ik heb moeten vechten voor mijn kansen. Op deze gezinslocatie wonen uitgeprocedeerde gezinnen die uit Nederland moeten vertrekken. Als ze zich onzeker voelen over hun toekomst, zeg ik vaak tegen hen: ‘Ook al kun je hier niet blijven, geef je dromen niet op. Gooi nooit de handdoek in de ring. Ook buiten Nederland kun je je dromen waarmaken.”  

COA-bril

“De letters ‘COA’ staan voor mij dan ook voor: Come On Again. Die drie woorden hebben mij gebracht waar ik nu ben. En als mensen klagen over procedures of over strenge regels, dan probeer ik een brug te slaan tussen hun zienswijze en die van het COA. Nu kijk ik door mijn COA-bril naar de regels, maar ik weet nog hoe diezelfde regels op mij overkwamen toen ik mijn bewonersbril op had.”  

Warm welkom

“Als ik nieuwkomers ophaal bij de receptie, krijgen ze altijd een warm welkom van mij. Ik weet hoe ze zich voelen. Kwetsbaar, onzeker en zwak. Ze hebben een lange reis achter de rug. En soms schamen ze zich voor hun afhankelijkheid. Ik probeer ze gerust te stellen. Ik ga niet boven ze staan, maar naast ze. Net als mijn collega El-Houssine dat voor mij deed op die koude februaridag in 1999.”

Saladin Ben Cherifa (37) is sinds 2008 woonbegeleider bij het COA en woonde zelf als jongen in een azc.   Dit verhaal is gepubliceerd in november 2019.