“Het begon in de herfst van 2017. Ik werkte als kunstenaar voor de Sint Maarten Parade in Utrecht. Voor het tweede jaar gaf ik een workshop lampionnen maken bij de kinderclub in het azc. Er waren kinderen uit Syrië, Eritrea, Irak. Op de tafels lagen wilgentenen en vliegerpapier in allerlei kleuren. Daarvan maakten we grote lampionnen in de vorm van een huis, letter, of luchtballon. Het was zo leuk om creatief met deze kinderen bezig te zijn. Opeens zei Annelieke, vrijwilliger van de Vrolijkheid: ‘Vind je het niet leuk om elke week naar de club te komen?’

Vanaf die tijd fietste ik elke dinsdagmiddag naar het azc. Om vijf uur liep ik met de andere vrijwilligers door de gangen van het oude ziekenhuisgebouw en haalde de kinderen op. Als hun kamerdeur openging, zag ik meestal een blij gezicht. Om half zes in de club zongen we eerst een lied. Daarna deden we theater, dans of kunst, met als grande finale: limonade en koek. Afgelopen najaar stond alles in het teken van sprookjes. We vertelden het verhaal van Holle Bolle Gijs, bouwden een sprookjesdorp, en maakten allerlei sprookjesfiguren van klei.

Alarmbellen

Tijdens de activiteiten probeerde ik samen met mijn collega’s ieder kind aandacht te geven. Soms had iemand net dat beetje extra nodig. Daarom keek ik elke dinsdag goed hoe het met de kinderen ging. Bijna elke week zag ik wel iets waardoor ik dacht: ‘Jij verdient vandaag extra aandacht!'

Dat nieuwkomers in de club niet meteen hun jas wilden uitdoen, afwachtend waren, vond ik niet zo gek. Ze waren net in Nederland, spraken de taal niet. Ik betrok ze bij de groepsactiviteit en dan was het ijs meestal snel gebroken. Maar als een kind dat al langer op de club kwam opeens niet meer enthousiast meedeed, gingen mijn alarmbellen rinkelen. Of als een kind opeens veel stiller was dan normaal of bij alles zei ‘Dat kan ik niet.’

Ik maakte ook mee dat kinderen in de winter op hun slippers de club binnen renden. Of een te dun jasje droegen. Terwijl andere kinderen dik waren ingepakt. Ik vroeg dan: ‘Heb je het niet koud?’ Soms vertelde een kind tijdens het knutselen over zijn dag en hoorde ik tussen de regels door dat het niet naar school ging. Of pas heel laat ging slapen. Ook als we de kinderen thuis ophaalden, kreeg ik dingen mee. Ik voelde dat de gezinssfeer niet bij elk huis altijd fijn was. Soms dacht ik bij mezelf: ‘Hoe is het voor jou om vanmiddag weer naar huis te gaan?’

Een-op-een

In de club gaf ik kinderen die dat nodig hadden een-op-een aandacht. Ik maakte oogcontact met ze, ging even bij ze zitten. Tijdens het lied probeerde ik ze mee te laten zingen of mee te laten klappen op de muziek. Bij het dansen ging ik naast ze staan of pakte hun hand. Ik ben zelf geen danswonder, maar voor hen zette ik me daar overheen. Maar soms hadden ze echt geen zin. Dan ging ik even rustig met ze apart zitten en kletste met ze over school, vriendjes, hun favoriete tv-programma.         

Als ik me zorgen maakte over een kind, besprak ik dat later met de andere vrijwilligers. Daarna belde ik Emma, woonbegeleider van het COA en zei: ‘Het betekent misschien niets, maar Musa zondert zich al weken een beetje af. Het viel me ook op dat Hewan al weken in zomerkleding loopt terwijl het buiten vriest.’ Ik zei het voorzichtig, want ik wilde niemand vals beschuldigen. Emma kende alle kinderen goed. Zij antwoordde dan zoiets als: ‘Dat viel ons ook op, we houden ze in de gaten’ of ‘Goed om te weten, ik ga van de week met de ouders in gesprek.’

Glimlach

Dat Emma en haar collega’s de kinderen in het azc in het oog hielden, stelde mij gerust. Daardoor kon ik mij focussen op de kinderclub. Daar toverde ik zelfs bij kinderen die niet goed in hun vel zaten op z’n minst een glimlach op het gezicht. De meeste kinderen voelden zich snel thuis bij ons. Ze vertelden over zichzelf in de kring, of namen iets mee wat ze graag wilden laten zien.

Een meisje had laatst voor alle vrijwilligers thuis een tekening gemaakt. ‘Oh, jij bent ook de rest van de week met ons bezig,’ dacht ik toen bij mezelf. Ook ouders waren betrokken bij de club. Ik leerde ze kennen door de gesprekjes aan de deur. Ze gaven regelmatig wat lekkers mee en waren ons vaak enorm dankbaar. De kinderclub was duidelijk een lichtpunt in de week. 

Rugzak

Hoewel ik altijd al vond dat kinderen ‘gewoon kind’ moeten kunnen zijn, kreeg ik door dit werk het inzicht dat je ook kinderen met een rugzak nog steeds blij kunt maken met kunst, theater of spel. Waar ze ook vandaan komen, wat ze ook hebben meegemaakt. Ik ontdekte dat ik ook niet alles over ze wilde weten. De oorlog, vlucht, mogelijke terugkeer. Ik dacht steeds vaker simpelweg: ‘Jij bent kind, en wil lekker spelen.’

Ik wist ook niet dat vrijwilligerswerk mij zoveel kon geven. Ik fiets nog steeds elke dinsdag bruisend van de energie naar huis. Mijn vriend zei laatst: ‘Je bent nog steeds zo enthousiast, je hebt de hele week zoveel te vertellen!’ Toch is er wel iets veranderd. Ik ging altijd al met plezier naar de kinderen in het azc. Nu kan ik eigenlijk niet meer zonder ze.”

Tijdens de lockdown is de kinderclub gesloten. De Vrolijkheid organiseert in azc Utrecht op dit moment buitenactiviteiten voor kinderen. De namen van kinderen in dit artikel zijn gefingeerd.

Dit verhaal is eerder gepubliceerd in VreemdelingenVisie februari 2021

Meer over kinderen in het azc
  • Kim van der Zijde
    Kim van der Zijde © Kick Smeets

Vrijwilligerswerk doen

Wil jij net als Kim vrijwilligerswerk doen in een azc? Neem dan contact op met een azc bij jou in de buurt. De COA-medewerkers vertellen je alles over de mogelijkheden. Wil jij iets met kinderen doen? Dan verwijzen zij je door naar organisaties waar het COA mee samenwerkt, zoals de Vrolijkheid.